Onderzoek uit de jaren dertig van de vorige eeuw laat al zien dat het mogelijk is om de levensduur te verlengen, zonder dat daar veel magie aan te pas komt. McKay verminderde de inname van calorieën bij knaagdieren met een derde, zonder dat er een tekort ontstond aan essentiële voedingsstoffen, en zag dat de levensduur met 40% omhoog schoot. Hetzelfde principe geldt voor gist, rondwormen en fruitvliegjes, maar voor mensen is het bewijs nog niet rond. Het Amerikaanse National Institute on Aging werkt hier aan met de zogeheten CALERIE studie (Comprehensive Assessment of Long-term Effects of Reducing Intake of Energy - een uitgebreide studie naar de lange termijn effecten van verminderde energie-inname). In de studie wordt het verband onderzocht tussen een beperkte energie-inname, en ziekte en veroudering.

Maar observeren alleen is voor een wetenschapper nooit voldoende. We zoeken naar een verklaring waarom verminderde inname van energie het verouderingsproces kan vertragen, in termen van genen, regulatoren of moleculaire mechanismen. Beperkte energie-inname zou de stofwisseling kunnen vertragen, waardoor er minder schadelijke radicalen worden gevormd en het leven wordt verlengd. Uit sommige studies blijkt echter dat bepaalde stofwisselingsprocessen juist sneller gaan werken naarmate er minder calorieën worden ingenomen.

Bakkersgist zorgde voor een doorbraak. Door simpelweg te tellen hoe vaak een cel zich deelt voordat deze sterft, ontdekten Guarente en collega’s van MIT in Boston dat het gen Sir2 (Silent Information Regulator) van belang is voor de levensduur. Door kunstmatig de activiteit van Sir2 te verhogen kon de levensduur worden verlengd, net zoals dat eerder was gelukt door de energie-inname te verminderen. Hierdoor begon een zoektocht naar de manier waarop je het leven kunt verlengen, door ‘te sleutelen aan een handjevol genen’, zoals Guarente en Sinclair het formuleerden.